Nieuws

Terug

Hoge Raad legt billijke vergoeding nader uit

In een veelbesproken beschikking van 30 juni 2017 heeft de Hoge Raad nu richtlijnen gegeven voor het vaststellen van de hoogte van de billijke vergoeding.

Datum:
10 Jul 2017
Door:
Marieke ten Broeke, Hylda Wiarda

Het zal u wellicht niet ontgaan zijn dat de Hoge Raad zich zeer recentelijk heeft uitgesproken over de vraag welke elementen een rol kunnen spelen bij het vaststellen van de hoogte van de billijke vergoeding. Het arrest heeft tot veel media-aandacht geleid, omdat werknemers met deze uitspraak op zak weer aanspraak zouden kunnen maken op een hogere vergoeding bij een ontslag. Dit terwijl met de invoering van de WWZ nu juist werd beoogd de met een ontslag gemoeide kosten voor de werkgever te beperken. Deze conclusie, dat werknemers weer een hogere vergoeding kunnen claimen, is dan ook niet juist.

Twee soorten ontslagvergoeding

Wanneer een werknemer langer dan twee jaar in dienst is, heeft hij bij het einde van zijn arbeidsovereenkomst in beginsel recht op een transitievergoeding. Hiervoor is een berekeningsmethode in de wet vastgelegd, zodat over de hoogte daarvan niet of nauwelijks onduidelijkheid bestaat.

Wanneer het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, heeft een werknemer bovendien recht op een billijke vergoeding. Voor de berekening daarvan bestaat echter geen wettelijke formule. Sinds de invoering van de WWZ bestaat dan ook onduidelijkheid over de hoogte van deze vergoeding en welke elementen, zoals bijvoorbeeld de gevolgen van het ontslag voor de werknemer, voor het bepalen van die hoogte nu wel of niet een rol spelen.

Omvang billijke vergoeding

In de veelbesproken beschikking van 30 juni 2017 heeft de Hoge Raad nu richtlijnen gegeven voor het vaststellen van de hoogte van de billijke vergoeding. In deze zaak ging het om een kapster, waarvan de arbeidsovereenkomst werd opgezegd zonder voorafgaande toestemming van het UWV. Een dergelijke opzegging zonder toestemming levert reeds een ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever op, waardoor de kapster recht had op een billijke vergoeding. De kapster en haar werkgever twistten echter over de vraag welke omstandigheden behoorden mee te wegen bij het vaststellen van de hoogte van die billijke vergoeding.

De Hoge Raad heeft nu bevestigd dat  de gevolgen van het ontslag inderdaad kunnen en mogen meewegen bij het vaststellen van de hoogte van de billijke vergoeding. Zo kan in het geval als dat van de kapster het inkomensverlies dat zij als gevolg van het ontslag lijdt, worden meegenomen in de vaststelling van de billijke vergoeding. Daarbij is bijvoorbeeld van belang of de werknemer al een nieuwe baan heeft gevonden. Of en in hoeverre het inkomensverlies een rol speelt, moet van geval tot geval worden beoordeeld.

Ook stelt de Hoge Raad vast dat de billijke vergoeding is bedoeld ter voorkoming van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van de werkgever maar niet het achteraf bestraffen daarvan. De billijke vergoeding heeft dan ook geen punitief karakter.

De uitspraak van de Hoge Raad geeft daarmee inderdaad de mogelijkheid  tot het leveren van meer maatwerk in het geval van een ontslag. Dit betreft echter enkel die situaties waarin het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever is komen vast te staan. En daarvan is in de praktijk nog altijd niet snel sprake.