‘Verbod van werkgever op zichtbaar dragen van religieus teken is geen directe discriminatie’

Terug
‘Verbod van werkgever op zichtbaar dragen van religieus teken is geen directe discriminatie’
Categories
Nieuws
Datum:
30 Mrt 2017

Het Hof van Justitie heeft op 14 maart 2017 geoordeeld dat een interne regel van een werkgever, die het zichtbaar dragen van enig politiek, filosofisch of religieus teken verbiedt, geen directe discriminatie vormt.

Door:
Marieke ten Broeke

De aanleiding voor deze uitspraak was dat een islamitische receptioniste aan haar werkgever, G4S Solutions, meedeelde dat zij van plan was een hoofddoek te dragen op het werk. Daarop antwoordde G4S dat het dragen van een hoofddoek niet zou worden getolereerd, omdat het zichtbaar dragen van politieke, filosofische of religieuze tekenen indruiste tegen de neutraliteit waaraan de onderneming zich hield in haar contact met haar klanten. Toen de werkneemster toch besloot een hoofddoek te gaan dragen, heeft G4S in het arbeidsreglement de regel opgenomen dat het voor werknemers verboden is om op de werkplaats zichtbare tekenen van hun politieke, filosofische of religieuze overtuigingen te dragen. Omdat de werkneemster weigerde de hoofddoek af te doen tijdens haar werkzaamheden, is zij door G4S ontslagen. Dit ontslag is voor de Belgische rechter gekomen, waarna het Belgische Hof van Cassatie in een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie heeft gevraagd of de regel in het arbeidsreglement van G4S direct discriminerend is.

Omdat de regel van G4S verwijst naar het dragen van zichtbare tekenen van politieke, filosofische en religieuze overtuigingen en deze dus zonder onderscheid geldt voor alle uitingen van dergelijke overtuigingen, worden alle werknemers op algemene wijze verplicht zich neutraal te kleden. De regel levert geen verschil in behandeling op dat is gebaseerd op godsdienst of overtuiging. Daarom is volgens het Hof van Justitie geen sprake van directe discriminatie.

Dit betekent echter niet dat een dergelijke regel altijd is toegelaten. Een dergelijke regel kan namelijk wel indirect onderscheid opleveren, doordat de ogenschijnlijk neutrale verplichting bepaalde werknemers die een bepaalde godsdienst of overtuiging aanhangen, feitelijk bijzonder benadeelt. In dat geval moet de nationale rechter beoordelen of dit verschil objectief kan worden gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen om dit doel te bereiken passend en noodzakelijk waren.

Het Hof geeft aan dat de wil van een werkgever om ten aanzien van zijn klanten blijk te geven van neutraliteit, in beginsel legitiem is. Dit is met name het geval wanneer dit alleen geldt voor werknemers die klantcontact hebben. Een interne regel zoals die van G4S kan volgens het Hof een geschikte manier zijn om het beleid van neutraliteit te waarborgen, mits het beleid daadwerkelijk coherent en systematisch wordt nageleefd. Het is aan de Belgische rechter te beoordelen of de regel van G4S aan deze vereisten voldoet.

Uit het arrest van het Hof van Justitie is concluderend het volgende op te maken. Een regel van een werkgever die het zichtbaar dragen van tekens van religie en andere overtuigingen verbiedt is toegestaan, mits

  • de werkgever een legitiem doel heeft, zoals het waarborgen van een beleid van neutraliteit in de klantrelatie;
  • het neutraliteitsbeleid daadwerkelijk en consequent wordt uitgevoerd;
  • de regel moet passend en noodzakelijk zijn; de regel moet bijvoorbeeld niet op meer werknemers zien dan noodzakelijk om het doel te bereiken.

Het is derhalve zaak dat een eventuele regeling binnen uw onderneming aan deze vereisten voldoet.

Dit artikel is bedoeld om u ad hoc informatie te geven over nieuwe wetgeving en jurisprudentie en bevat geen juridisch advies. Als u meer over dit onderwerp wilt weten of als u juridisch advies nodig heeft, neem dan contact met ons op: info@bd-advocaten.nl